Terug naar hoofdinhoud

Kunt u mij de weg in Fijnaart vertellen, meneer?

Naar wie of wat is de Panneboeterstraat vernoemd?



Kunt u mij de weg in Fijnaart vertellen, meneer?
De Panneboeterstraat begint als voetpad vanaf de Julianastraat, kruist de Edvard Griegstraat en gaat als gewoon straatje naar het hofje van de ‘Fine Aerde’. Een allermerkwaardigste straatnaam: een panneboeter is een ketellapper, maker en reparateur van pannen en ketels. Zouden daar vroeger ketellappers hun bedrijfjes hebben gehad en is die straat daarom zo genoemd? Vermoedelijk niet.

De straat is genoemd naar Gerard (of Gerrit) Panneboeter,  op 10 juli 1759 geboren in Fijnaart. Zijn vader was Pieter Panneboeter (secretaris van Fijnaart en Heijningen); zijn moeder was Johanna Gijsberta Sybilla Motman. Via beide ouders stamt hij af van een welgestelde regentenfamilie. Waarschijnlijk kan hij zich weinig van zijn ouders herinneren, want op driejarige leeftijd is hij wees. Hij komt onder de hoede van een voogd (oom van moeders kant), mr. Gerrit Willem Motman, die schout is van de ‘Vrijheid Roosendaal en Heerlijkheid Nispen’. Zijn erfenis bestaat uit een flinke som geld.

Als kostschoolleerling bezoekt Gerard de Latijnse School te Gorinchem. Uit respect voor zijn oom voegt hij de naam Willem bij zijn naam. Hij begint in 1776 aan zijn rechtenstudie te Utrecht, promoveert op 15 maart 1779 als 19-jarige, summa cum applausu tot doctor in de rechten op een proefschrift over het jachtrecht.

Vanaf 21 augustus koopt hij voor f25.000,-- (uit de erfenis van zijn ouders) het ambt van drossaart en schout van de ‘Vrijheid van Roosendaal en de Heerlijkheid van Nispen’. Hij is dan 20 jaar, maar door zijn intellectuele overwicht en grote interesse op vele terreinen heeft hij grote invloed.

Op 13 september 1779 trouwt hij met Johanna Catharina van Westrenen. Op 25 mei 1780 wordt hun dochter Arnolda Berendina Wilhelmina in Breda gedoopt, maar zij overlijdt al op 31 mei. Enkele dagen later overlijdt ook zijn vrouw.

Op 9 juli 1791 hertrouwt Panneboeter met Arnolda Breda (10 april 1757) uit Rotterdam. Zij krijgen een dochter, Anna Gerardina Wilhelmina, op 12 december 1792 te Roosendaal. In 1794 vlucht hij voor de Franse troepen, uit angst voor wraakacties. Het kost hem zijn baan. Als ambteloos burger beheert hij de bezittingen van zijn oom en voogd mr. G.W. Motman, die naar Duitsland is gevlucht, waaronder de Leenhof (het huidige Vrouwenhof).

Op 29 maart 1803 wordt hij schout van Roosendaal en Nispen en houdt toezicht op de naleving van wetten en verordeningen, brandbestrijding, wegenonderhoud en de haven. Vanaf 1 november 1810 heet hij Maire van Roosendaal en Nispen. Op 19 februari 1811 wordt hij lid van het wetgevend lichaam te Parijs voor het arrondissement Breda. Hij pleit vooral voor de belangen van de burgers.

Na het vertrek van de Fransen benoemt Koning Willem I hem tot lid van de Provinciale Staten van Brabant op 19 sept. 1814 en op 8 oktober lid van Gedeputeerde Staten. Omdat hij op 12 september 1820 benoemd wordt tot districtscommissaris van het zevende district (17 gemeenten in West-Brabant met Roosendaal als hoofdstad), neemt hij wegens onverenigbaarheid van functies ontslag als gedeputeerde. Zijn strenge opvatting van loyaliteit aan het heersende regime maakt dat hij onder diverse regimes kan functioneren. Politiek is hij een conservatieve orangist, een integer en bekwaam bestuurder met een groot gevoel van verantwoordelijkheid voor de hem toevertrouwde burgers. Door al zijn regionale en provinciale functies en successen, stijgt zijn betekenis uit boven die van slechts een plaatselijke regent. In 1827 verslechtert zijn gezondheid, neemt hij ontslag uit al zijn functies. Hij overlijdt op 8 april 1830. Met hem sterft het geslacht Panneboeter uit.

Sjerp Vormeer  

Bron: J. van Oudheusden e.a. (red).  ‘Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders’ Deel 2     Amsterdam/Meppel 1994  

Advertenties