Terug naar hoofdinhoud

Stoom, staal en suikerpeeën

Een vergeten tramlijn door Fijnaart



Stoom, staal en suikerpeeën
De Molenstraat in Fijnaart met de tram komend vanuit de Appelaarseweg. Ansichtkaart uit de collectie van Marius Broos.
Wie nu over de Steiledijk of Appelaarseweg rijdt, heeft vaak geen idee dat hier ooit een stoomtram tufte, vol passagiers, melkbussen en wagons vol suikerbieten. Toch was Fijnaart ruim een kwart eeuw verbonden met de rest van West-Brabant via de tramlijn van de Zuid-Nederlandsche Stoomtramweg-Maatschappij (ZNSM), van Stampersgat naar Willemstad. Tramliefhebber en kenner Marius Broos uit Roosendaal, die op zijn website www.mariusbroos.nl talloze historische bronnen en foto’s verzamelde, kan er met aanstekelijk enthousiasme over vertellen.

De ZNSM was een Belgisch verhaal. Investeerders uit het Waalse Luik zagen aan het eind van de 19e eeuw een mooie kans: in Zuid-Nederland lag een gebied open voor nieuwe verbindingen en in Luik draaide de staalindustrie op volle toeren. “Ze konden rails leveren én nieuw rollend materieel bouwen. Dan is zo’n tramweg ineens ook een afzetmarkt voor staal,” legt Broos uit. Vanaf 1890 ontstond zo een netwerk van tramlijnen in West-Brabant. De oost-westlijn Breda–Oudenbosch was de eerste. Pas in 1906 kwam de noord-zuidlijn Oud Gastel–Willemstad erbij, met Fijnaart als belangrijke halte. “Eigenlijk was dat toen al aan de late kant,” zegt Broos.

Aanpassingen
Tussen Stampersgat en Fijnaart vergde de aanleg flink wat kunst- en vliegwerk. Er lag al een draaibrug over de Mark, maar aan de Fijnaartse kant was alleen een laag polderweggetje dat regelmatig onder water kon staan. Daarom werd in 1906 een nieuwe, hogere dijk aangelegd: een stuk Steiledijk dat speciaal werd opgehoogd. Vanaf daar kocht de ZNSM een strook grond van zo’n vier meter breed langs de Steiledijk en Appelaarseweg. De sloot onderaan de dijk moest landinwaarts worden verlegd om ruimte te maken. De tram kreeg zo een eigen baan, rechts van de weg op de plek waar nu de fietspaden liggen.

Tramstation Fijnaart
Komend uit Stampersgat rolde de tram eerst over die nieuwe dijk, langs boerderijen zoals de bekende Hoeve Traats. Bij het “Wissel Traats” konden trams passeren en rangeren. Vanaf daar ging het in een lange rechte lijn richting Fijnaart. Aan het eind van de Appelaarseweg moest de tram met een glooiende helling omhoog naar de hoger gelegen Molenstraat. De bestaande aansluiting was te smal, dus werd een perceel opgekocht en een huis deels afgebroken. Het overblijvende pand, met een afgeschuinde hoek, werd het tramstation van Fijnaart, tegelijk ook winkel en kiosk.

Melk
In de Molenstraat reed de tram aan de noordzijde van de weg, richting de Nieuwe Molen. Daar stond ook de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek. Voor die fabriek werd in 1922 een kostbare spooraansluiting aangelegd. Melk uit de wijde omgeving kwam per tram naar Fijnaart. Melkbussen werden op lage bakwagons geladen en bij de fabriek gelost. Het toont hoe belangrijk de stoomtram was voor de lokale economie: niet alleen voor reizigers, maar zeker ook voor goederen.

Suikerbieten per spoor
Toch was het meest opvallende goederenvervoer misschien wel dat van de suikerbieten. In West-Brabant stonden meerdere suikerfabrieken, waaronder in Oud Gastel en Stampersgat. Die kochten zelf speciale goederenwagons en gaven die mee aan de tramwegmaatschappij. Tijdens de bietencampagne waren de lijnen druk bezet met bietenwagons. Boeren langs de weg leverden hun “suikerpeeën” af bij laadplaatsen, waar personeel van de tramwegmaatschappij de bieten in de wagons laadde. De tramlijn door Fijnaart was zo letterlijk een schakel tussen de akkers in de polder en de fabrieksschoorstenen langs de Mark.

Concurrentie van de weg
Voor reizigers was de tram een uitkomst. Van 1906 tot begin jaren dertig reden er dagelijks trams tussen Oud Gastel en Willemstad, met haltes in onder meer Fijnaart en Oudemolen. Vanuit de tram had je, komend vanaf Stampersgat, een prachtig uitzicht over de polder en op de kerktorens en fabrieken. Maar het comfort had z’n grenzen: de tram was traag, schokkerig en afhankelijk van goed onderhoud van rails en ballast.

En daar begon het te wringen. Vanaf de jaren 1920 verschenen er steeds meer automobielen, vrachtauto’s en autobussen. Die waren sneller, flexibeler en boden meer comfort. Voor de tram werden de inkomsten minder, terwijl onderhoud duur bleef. Er moest voortdurend zand worden aangevoerd om de rails “onder te stoppen” en het spoor op hoogte te houden. Volgens Broos heeft de lijn Oud Gastel–Willemstad maar een jaar of vijftien echt kunnen renderen. Daarna ging het snel bergafwaarts.

In 1933 stopte het reizigersvervoer per tram, in 1934 volgde het meeste goederenvervoer. De exploitatie ging over in de nieuw opgerichte BBA (Brabantsche Buurtspoorwegen en Autodiensten), die vooral met bussen verder ging. Binnen enkele jaren waren de rails verdwenen. Dat was nog een enorm lucratief deel: al dat staal bracht als schroot nog flink wat geld op.

Toch is de tram in Fijnaart niet helemaal verdwenen. Wie nu langs de Steiledijk en Appelaarseweg fietst, ziet nog steeds de brede berm waar ooit de tramrails lagen. De glooiende aansluiting tussen de Appelaarseweg en de Molenstraat is nog altijd te herkennen en de ruimte waar ooit het tramstation stond, is nooit meer helemaal volgebouwd. Met een beetje verbeelding zie je de stoomtram zo weer de bocht om komen, bellend en puffend, op weg van Stampersgat via Fijnaart naar Willemstad.

Advertenties