Terug naar hoofdinhoud

Ter intro



Ter intro

Vrijwel iedereen in mijn omgeving is gek op pretparken. Ik ken zelfs mensen die hun vakanties besteden aan het afstruinen van de grootste amusementsparken. Pretpark hier, pretpark daar. Alsof er niets mooiers te doen is met je vrije tijd.

Mij maak je niet echt blij met een dagje Efteling, Walibi of Toverland. En dat komt vooral door de bewegende attracties. Voor geen goud krijg je mij in een achtbaan, reuzenschip, vrije valtoren, wildwaterbaan, reuzenrad of zweefmolen. Als iets omhooggaat, omlaaggaat, ronddraait of over de kop gaat, haak ik af. Ik blijf liever gewoon op de grond. Daar gebeurt tenminste alles op de plek waar het hoort te gebeuren.

Ik heb het overigens wel geprobeerd. Als tiener moest ik natuurlijk een keer de Python in de Efteling ervaren. Nou, dat heb ik geweten. Het zweet brak me al uit toen ons karretje alleen nog maar omhoog werd getakeld. Dat eindeloze geklik van de ketting voelde als een aftelmechanisme naar mijn eigen ondergang. En toen we eenmaal boven waren, wist ik: dit was een heel slecht idee.
Op het moment dat we naar beneden werden gegooid en mijn maag ergens tegen mijn gehemelte botste, heb ik een belangrijke levensles geleerd. Ik heb me dan ook heilig voorgenomen: dit nooit, nooit meer.

En dat ging jarenlang prima. Tot ik enkele maanden geleden weer een pretpark bezocht. Ik had kaartjes gekocht voor mijn twee kleinzonen van 3 en 6 jaar, mijn vriendin en mezelf voor avonturenpark De Tovertuin. Geen angstaanjagende achtbanen, geen vrije val van twintig meter en geen attracties waarbij je onderweg afscheid kunt nemen van je lunch. Gewoon lekker rustig. Té rustig volgens een collega van mij, maar ik vond dat juist een geruststellende gedachte.

Het begon dan ook uitstekend. Eerst leefde het tweetal zich uit in de binnenspeeltuin. Daarna vergaapten ze zich aan de show van Woezel en Pip. Tot zover voelde ik me nog volkomen veilig. Tijdens de eerste echte attractie maakten we een Tovertuinreis. Op een rustig tempo reden we langs de kleurrijkste taferelen. Geen probleem. Geen paniek. Geen zweet.

Met veel plezier en zonder een spoortje van angst stapten we in de Pannenkoekenmolen. De mannen wilden in een van de jampotten en uiteraard moest opa mee. Prima. Wat kon er nu misgaan in een kindvriendelijke draaimolen?
Achteraf bezien was dat een nogal optimistische vraag. Want niet alleen de molen draaide. Nee, ook de jampotten bleken afzonderlijk in beweging te kunnen worden gezet door aan een stang te draaien. Mijn kleinzonen ontdekten dat mechanisme uiteraard onmiddellijk. En daarna draaiden ze alsof hun leven ervan afhing.
Mijn leven hing er inmiddels ook vanaf. Linksom. Rechtsom. Nog een rondje. Nog wat harder. Opa probeerde ondertussen vriendelijk te blijven kijken, terwijl zijn maag steeds verder richting uitgang verhuisde. Het duurde niet lang of ik trok wit weg. Mijn kleinzonen hadden de grootste lol. Opa niet.
Toen eindelijk de rit voorbij was, stapte ik draaierig en kotsmisselijk uit de jampot. Weer een attractie waar ik nooit, nooit meer inga.

Advertenties